De geschiedenis van de Modena


Duivenvluchtspelen met de Modena | De veranderingen van de Modena

Hun naam vertelt hun afkomst: de Noord-Italiaanse stad Modena. Daar zijn ze, de ‘Colombi di Modena’, al sinds de dagen van de schrijvers Plinius de oudere en de jongere (die in de eerste eeuw na Christus geleefd hebben) bekend, zoals de professor Bonizzi in 1872 vermoedde. Hij neemt voor de Modena het recht op een rang van een eigen ras naar de door Darwin opgestelde groepen in beslag.

Of het een werkelijk oorsprongsras is, laat zich niet vaststellen; in ieder geval is het het oudste Italiaanse duivenras, want van geen van de andere rassen zijn (ook niet bij benadering) zoveel oorspronkelijke verwijzingen gevonden.

De Italianen hebben ze van oudsher voor wedstrijden en spelen gefokt en gehouden. Het is aannemelijk dat de duivensoort weliswaar niet die korte vorm van de huidige Modena’s bezat, terwijl de onze nog altijd goede vliegers zijn.

Zorgvuldige africhting ging vooraf aan de vluchtspelen. Volgens afspraak lieten de ’Triganieri’ in de wintermaanden hun duiven in gesloten zwermen tegelijk opvliegen, zonder ze van tevoren gevoerd te hebben. De fokkers zelf bevonden zich op de daken van hun huis en dirigeerden van daaruit hun vlucht met een lange vlag. Ieder probeerde ze niet in een gesloten groep te houden, maar uit de andere zwermen zoveel mogelijk duiven in zijn zwerm te sluiten. Als de Triganieri dacht dat het doel bereikt was, dan trok hij zijn vlag in. Dit is het teken voor zijn duiven om binnen te vliegen en gevoederd te worden. De vreemde duiven moesten eveneens tot ‘binnenvliegen’ gedwongen worden. Deze duiven werden gevangen en voor losgeld of uitwisseling weer teruggegeven. Dat de grenzen van het toegestane echter snel overschreden werden, toont een door Bonizzi aangevoerde wet van de stad Modena uit het jaar 1827, die het vangen of doden van vreemde duiven verbiedt.

Tegen het einde van de 18e eeuw, zo vertelde de in de vorige eeuw levende duivenkenner Dietz, zijn de eerste Modena’s naar Duitsland gekomen. Italiaanse emigranten brachten ze naar Frankfurt am Main, waar ze tot het midden van de 30-er jaren van de 19e eeuw te zien waren. Gustav Prütz (Stettin) schrijft in zijn in 1910 uitgegeven werk “Die Arten der Haustaube” , de eerste Modena’s uit Italië zijn in 1864 in het bezit van de heren A. Reimer en G. Prütz, uit de fokkerij van Bonizzis verkregen.

Onafhankelijk van deze import naar Stettin is de invoer van de Modena in Sachsen geweest. Ernst Lantzsch (Saulitz), een bekende duivenhouder en Pluimvee-jurylid had in 1871 en in de jaren daarop door de Italiaan Israël, Gazzi en Schietti Modena’s gekregen. In 1877 tenslotte verscheen in de vakbladen voor pluimveefokkers een uitgebreid bericht van dr. E. Baldamus over de Modenaduif. Een jaar later werd door hem een collectie van 50 paren Modena’s tentoongesteld, die door bemiddeling van Bonizzi uit Modena betrokken waren. Die tentoonstelling baarde opzien, de belangstelling nam wezenlijk toe. Verdere grondslag voor de fokkersverspreiding van het ras bouwden de Modena’s die in de handen van Lantzsch gekomen waren. Hij wist in zijn pluimvereniging in Nossen belangstelling te wekken voor de Modena’s, liefhebbers en fokkers te winnen. Ook na zijn dood hadden pluimveetentoonstellingen in Nossen jaarlijks complete collecties van Modena’s te vertonen, vooral in Gazzi rood en geel.

De Schietti’s weliswaar, die zich onder de Israëlische zendingen aan Lantzsch bevonden, was een grotere liefhebberskring voorlopig mislukt: ze zijn in onbekende handen overgegaan en verdwenen.

Een groot deel van haar bestaan heeft de Schietti teelt aan Theodor Naulitz te danken. Hij onderhield een belangrijke vlucht duiven, waaruit hij vele belanghebbenden verzorgde. In het bijzonder profiteerden de restanten uit de importzendingen van Bonizzi: de Siedische teel, de Nohlesche (Merseburg), verder de teelt van Täschner (Torgau), Zintzch (Eilenburg) en Klitzschmüllers (Oldisleben).

Nohle en Zinsch waren ook de eersten, die importeerden uit de Modenafokkerij in Baldamus-Tittelschen opnamen. Zoals een catalogus van de Merseburger tentoonstelling uit het jaar 1880 laat zien dat Nohle Modena’s Gazzi tentoongesteld had. De daaropvolgende tentoonstelling beschikte hij al met zes paren in de kleurslagen zwart, blauw en blauwgekrast.

Klitzschmüller richtte zijn fokkerij op in 1884 met blauwe en bruingebande Gazzi's, waaraan hij na de Torgauer tentoonstelling nog Schietti’s toevoegde. Door een paar bruingekraste Gazzi’s had hij in 1898 zijn ‘voorraad’ verbeterd, wat hem een jaar later het eerste tentoonstellingssucces opleverde. Tegen 1897 betrok hij uit Echternach uit een Italiaanse import vale Schietti met bruine banden; met hen legde hij de grondsteen voor de teelt van deze kleurslagen. Sinds 1910 wijdde hij zich uitsluitend aan de Schietti en vermeerderde het kleurenscala door rood zilverwitschild uit de omgeving van Döbeln en door dieren van Zintzsch.

In 1897 begon men zich ook in het uiterste oosten van Sachsen te ontfermen over de Modena: Sprenger (Reichenau) was daar een van de eerste begunstigers. Bruingebande Gazzi’s legden het fundament, zij voerden hem in de loop van de tijd naar de top. Na de wereldoorlog beheerste hij die teelt van de bruingebande zo goed als alleen, zijn dieren waren voor veel telers een nieuw begin. Dat het na deze oorlogsjaren met de modena’s in Duitsland weer opwaarts ging is verregaand ook aan de voorzitter van de reeds voor de 1e wereldoorlog opgerichte Speciaalclub, Hugo Peschke, te danken. Hij verzamelde de oude telers om zich heen en nieuwe voegden zich bij hem aan. Importen uit Italië dienden weer daar toe om de Modenateelt op een hoger niveau te krijgen. Weise (Ottendorf) had dieren van daar betrokken, andere telers hebben exemplaren van hem gekregen. Duiven met een klein figuur waren in Duitsland bijzonder gevraagd, zulke met sterken figuren gingen verder naar Engeland en om daar prijzen te behalen. Een eigen Engels ras bouwde zich eruit. In vergelijking met onze elegante en hoogstaande was deze lager en zwaarder gebouwd. Ook was zijn totale indruk krachtiger. Geliefd en verspreid waren ze beiden in hun nieuwe thuislanden; in 1927 stonden op de Crystal-Palace-tentoonstelling reeds 567 Modena’s van Engelse “bereiding”.

De met het meeste succes geteelde kleurslagen van de Gazzi toen der tijd waren in Duitsland de zwarten, die zich hoofdzakelijk Krehan (Weimar), Nohle (Merseburg) en Hensel (Nossen) opdroegen. Blauw zwartgebanden werden door Hauswald (Dobra) en Sprenger (Reichenau) geteelt, Blauw ongeband en gekrast door Heyne (Dorf Wehlen), Röllisch (Fröschen), Vetter (Kötzschenbroad) en Krehen (weimar). Hij bracht in 1932 bij de Lipsia-tentoonstelling de eerste volière ongebande Gazzi in de beste kwaliteit onder het oog. Sprenger, Hauswald en Werner (Döbeln) bemoeiden zich ijverig om de blauwgebanden. Rode Gazzi kwamen in enige kleine fokkerijen voor, aan de top Lantzsch (Saulitz); gelen waren slechts in de omgeving van Nosse en Roßwein op tentoonstellingen aan te treffen en stamden vooral uit de teelt van Hausmann (Gertitzsch).

Daarnaast werden nog afzonderlijk Bruinschild, Bruingekrast, zilverwitschild gezoomd, bruinzilver geband, Blauw bronsgeband, Blauwzilver en blauw bronsgekrast tentoongesteld. Schietti’s waren in het zwart te zien, een kleur die in 1919 door Peschke er uit geteelt werd. Zijn dieren voerden met deze kleurslag tezamen met die van Esche (Chemnitz), Meißners (Grüna) en Klitzschmüller (Oldisleben) ook later aan. Als pionier in de teelt van Schietti donker- en blauw zilverwitschild golden Siede (Magdeburg) en Kaller (Berlin-Reinickendorf), die deze beide kleurslagen in de beste kwaliteit lieten zien. Ook bij de blauw-witgebanden werd eveneens Kalert de eerste man. Bruinschild en bruinschild gezoomd werden eveneens in goede kwaliteit door Jahn (Döbeln) en Klitzschmüller tentoongesteld deze teelden even als Esche, daarnaast de rood zilverwit schilden en de gelen, die tot aan de 2e wereldoorlog tot de rariteiten telden. Met de teelt van de rode Schietti’s hield Peschke junior zich vanaf 1925 bezig en bouwde naast Roßbach (Dresden) een succesvolle teelt. Begin 30-er jaren verscheen als nieuwe teelt van Esche de witte Schietti. Veel van deze kleurslagen zijn uitgestorven, anderen zijn teruggekomen Het rijke kleurenspel is net zo prachtig als toen.

Vertaald uit "Die Deutschen Modeneser" van Alfred Tüllmann